Transsubstantiatie is de in de Rooms-katholieke Kerk gebezigde term om de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus, die volgens de katholieke leer tijdens de eucharistieviering of Mis plaatsvindt, filosofisch-metafysisch te omschrijven. De term als dusdanig werd voor het eerst in de 12e eeuw gebruikt.
Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen dat wat wel verandert (de zelfstandigheid = substantie) en datgene wat niet verandert (de verschijningsvorm).
Het gaat hier dus niet, zoals vaak wordt gedacht, om de leer dat Christus werkelijk tegenwoordig is in het Sacrament, maar om de verklaring op welke manier Christus tegenwoordig komt in het Sacrament.
Rond 1960 hebben sommige theologen zoals Piet Schoonenberg s.j. en Luchesius Smits ofm.cap. aan het eucharistisch mysterie een meer symbolische betekenis willen geven en noemden dat 'transsignificatie' (= verandering van betekenis) of 'transfinalisatie' (= verandering van doel). Kort daarop stelde Paus Paulus VI in de encycliek Mysterium Fidei van 3 september 1965 echter dat theologen weliswaar over de betekenis van de Eucharistie mogen nadenken en discussiëren om tot een dieper verstaan ervan te komen, maar zonder het dogma van de transsubstantiatie te verwerpen of onvermeld te laten. Transsignificatie en transfinalisatie werden doorheen de rooms-katholieke geschiedenis altijd door de Pausen verworpen.