De Statenvertaling (of Statenbijbel) is de eerste officiële bijbelvertaling die rechtstreeks uit de oorspronkelijke talen naar het Nederlands werd vertaald. De opdracht voor de vertaling werd in 1618 gegeven op de Synode van Dordrecht; de Staten-Generaal werd gevraagd de vertaling te betalen.
Tot dan toe werd vooral gebruik gemaakt van verschillende vertalingen, waaronder de bijbelvertaling van Maarten Luther. Die vertaling was echter in het Hoogduits en was bovendien een lutherse interpretatie. Er waren al eerder bijbels in het Nederlands verschenen, maar dat waren vertalingen van vertalingen. De synode achtte het nodig dat er een goede, eigen vertaling kwam, die zo dicht mogelijk bij de brontalen (voornamelijk Hebreeuws en Grieks) lag, naar het voorbeeld van de Engelse Authorized Version (King James Version, 1611).
De Staten-Generaal gingen pas in 1626 akkoord met het verzoek van de synode, waarop de vertalers aan de slag konden. In 1635 was de Statenvertaling gereed en in 1637 werd hij door de Staten geautoriseerd. Tussen 1637 en 1657 werd een half miljoen exemplaren gedrukt. Tot ver in de 20e eeuw bleef de Statenvertaling gezaghebbend in protestantse kerken.
Behalve op religieus terrein, heeft de Statenbijbel ook op taalkundig en politiek terrein een niet te onderschatten betekenis. De taal van de Statenbijbel vormt de grondslag voor het Standaardnederlands, dat zich in de 17e eeuw heeft ontwikkeld, en als belangrijk instrument in de culturele eenwording van Nederland heeft gefungeerd.
Het bronmateriaal waarop de Statenvertaling (en de King James Version) gebaseerd is bestaat, voor zover het het Nieuwe Testament betreft, uit de zogeheten Textus receptus dat overeenkomt met een weergave zoals samengesteld door Erasmus en voor het Oude Testament uit de zogeheten Masoretische tekst. Meer moderne vertalingen daarentegen baseren zich gewoonlijk op de Nestle-Aland editie van het Grieks Nieuwe Testament en op andere bronnen.