Pius XII, eigenlijk Maria Giuseppe Giovanni Eugenio Pacelli, (Rome, 2 maart 1876 – Castel Gandolfo, 9 oktober 1958) was een Italiaanse paus van 1939 tot aan zijn dood.
Zijn pontificaat viel in de moeilijke oorlogsjaren van de Tweede Wereldoorlog. Hem zijn na de oorlog veel verwijten gemaakt dat hij niet voldoende zou zijn opgekomen voor de Joden, die in die tijd naar de concentratiekampen gesleept werden door het bewind van Hitler en - in verwijderde zin en op veel kleinere schaal - zijn bondgenoot Mussolini.
De kudde was verward door de oorlogsperikelen, en de herder sprak zich in het openbaar niet duidelijk uit. De duidelijke afwijzing van de Jodenvervolging door geestelijke leiders had mensenlevens kunnen sparen. In zijn kerstrede in 1942 verwees Pius XII evenwel in bedekte termen naar de deportatie van Joden.
Daar waar Pius XII, of althans toch volgens zijn critici, op dit punt als paus zweeg, werd er op lagere niveaus weldegelijk geprotesteerd (onder andere op 20 juli 1942 door het Nederlandse episcopaat), én werd daar door vele gelovigen ook naar gehandeld.
Het Amerikaanse tijdschrift "Inside the Vatican" zou ook informatie over paus Pius XII in handen hebben, die onthult dat deze "oorlogspaus" zich op persoonlijk niveau toch bemoeide met het lot van de Joden in Italië onder Mussolini. Het zou gaan om twee brieven van hem die hij in 1940 stuurde naar bisschop Giuseppe Palatucci van Campagna. In een concentratiekamp in Zuid-Italië werden door de nazi's Joden gevangen gehouden. Palatucci trok zich samen met zijn neef Giovanni, politiecommissaris van Fiume, het lot van deze mensen aan. De paus zou zijn bisschop tweemaal een aanzienlijke som overhandigd hebben voor het welzijn van deze gevangenen.
Onder anderen de Joodse historici Pinchas E. Lapide (The Pope and the Jews (vertaling: de paus en de Joden)), 1966) en Antonio Gaspari weerlegden de beschuldigingen dat het Vaticaan ingestemd zou hebben met de genocide op Joden en zigeuners. Lapide, alleszins geen vriend van het Vaticaan, acht Pius XII zelfs de enige autoriteit die echt actie ondernam ter bescherming van de Joden, hoewel voornamelijk in Hongarije en Italië.
Anderen verspreidden echter het beeld van Pius XII als "Hitlers Paus", namelijk onder meer de Duitse toneelschrijver Rolf Hochhuth (Amen en Stellvertreter (vertaling: plaatsvervanger)) en de Joodse historicus Daniel Jonah Goldhagen (Hitler's Pope).
De speelruimte van de paus om al te openlijke uitspraken te doen was beperkt omdat Mussolini een trouwe bondgenoot was van Hitler. Na de capitulatie van Italië werd Rome zelfs door de Duitsers bezet. Hitler en Goebbels schijnen overwogen te hebben om de paus te laten vermoorden.
De enige mogelijkheid die Pius XII restte, was om in het openbaar geen al te gewichtige uitspraken hierover te doen en achter de schermen diplomatiek stappen te ondernemen en in individuele gevallen te proberen te helpen.
Bij zijn dood in 1958 verklaarden overtuigde Zionisten als Golda Meïr en anderen dat "de Joden een vriend verloren hadden (...) die op het cruciale moment in de geschiedenis zijn stem verhief tegen het verschrikkelijke onrecht".
In 1945 bekeerde de opperrabbijn van Rome Israel Zolli, zich tot het christendom en nam bij zijn doopsel in het Vaticaan de naam "Eugenio" aan als verwijzing naar Pius XII en diens optreden ten behoeve van de Joden. De Rooms-katholieke Kerk onder Pius XII redde naar schattingen één miljoen Joden van deportatie naar concentratiekampen.
Volgens sommigen voerde Pius een bijzonder conservatief bewind, dat katholieken vaak als onmondige mensen zou behandelen. Daar valt bij aan te tekenen dat het zelfbewustzijn van de katholieken, dus ook de leken, in een aantal streken nog nooit zo sterk is geweest als tijdens de periode waarvan zijn pontificaat het sluitstuk vormde, het zogenaamde "rijke roomse leven". Dit gaat bij uitstek op voor Nederland. De vraag is wel, of de voltooiing van de emancipatie van de katholieke zuil hierbij niet belangrijker is geweest dan de rol van Pius XII.
Bij zijn dood was er weliswaar een roep naar modernisering in de Kerk, maar die was eerder het gevolg van een al langer spelende ontwikkeling dan van het pontificaat van Pius XII op zich. Onder zijn opvolger Johannes XXIII kreeg deze behoefte aan vernieuwing - vooral gevoed door bepaalde intellectuelen - gestalte in het fel omstreden, maar door velen binnen en buiten de Kerk toegejuichte Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965).
Een van zijn belangrijkste daden in het Heilig Jaar 1950 was de dogmaverklaring van de Tenhemelopneming van Maria (1 november 1950). Zowel de Rooms-katholieke als de Oosters-Orthodoxe Kerken hebben dit geloof van oudsher beleden, maar het was nog nooit formeel als een dogma geformuleerd. Hiermee onderstreepte Pius XII de sterke Maria-verering binnen de Katholieke Kerk. Het was tevens de eerste pauselijke uitspraak "ex cathedra" sinds de formulering van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid in 1870 tijdens het Eerste Vaticaans Concilie. De heiligverklaring van Paus Pius X in 1954 vormde nog een duidelijk teken van Paus Pius XII tegen het steeds meer opspelende theologisch Modernisme, dat op het Tweede Vaticaans Concilie aanzienlijke overwinningen zou boeken op de traditionele scholastieke theologie en dogmatiek.
Verering valt Pius XII tegenwoordig vooral ten deel in conservatieve en traditionalistische stromingen binnen de Kerk.