Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is een term uit de christelijke heilsleer en eschatologie.
Volgens het bijbelboek Openbaringen, hoofdstuk 20 en 21, is dit het uiteindelijke lot van het universum. Na het Duizendjarig rijk, het "vredesrijk", geeft Jezus alle macht over aan God. Hierna laat hij de hedendaagse aarde en hemelen vergaan/wegsmelten 'in vuur' waarna een nieuwe hemel en aarde tot aanschijn worden geroepen. Hier is 'God alles en in allen'.
Volgens de orthodoxe leer binnen het christendom gaat de precieze aard van deze toestand het menselijke bevattingsvermogen te boven. De in ruimte en tijd begrensde menselijke geest zou geen werkelijk besef kunnen hebben van de goddelijke eeuwigheid en oneindigheid.
Het begrip weerspiegelt de hooggespannen verwachtingen bij de vroege christenen, die ervan overtuigd waren dat de wederkomst van Christus nog tijdens hun leven zou plaatsvinden. In de latere theologie werd de passage gebruikt als een argument voor de orthodoxe leer dat de wederopstanding in een fysieke, stoffelijke vorm plaats vindt en niet slechts een spiritueel karakter draagt, zoals veel gnostici en Neoplatonisten beweerden.