Van oudsher zijn er in de Rooms-katholieke Kerk zeven wijdingsgraden. Vier daarvan waren lagere wijdingen, de laatste drie waren de hogere wijdingen. De vier lagere wijdingen (ook wel: kleine wijdingen) zijn
Ostiarius (deurbewaarder/koster) Lector (lezer) Acoliet (misdienaar) en Exorcist (bezweerder) De drie hogere wijdingen zijn
Subdiaken Diaken en Priester Deze zeven wijdingsgraden worden in 252 voor het eerst genoemd in een brief van Paus Cornelius.
De wijding tot bisschop wordt gezien als de volheid van het priesterschap, en dus ingedeeld onder de noemer priester. Soms wordt de bisschopswijding apart genoemd, en dan zijn er acht wijdingsgraden. In de Middeleeuwen gold bovendien de tonsuur (kruinschering) als een lagere wijding, waardoor het totale aantal op negen wijdingsgraden kon komen.
In vrijwel geheel de Rooms-katholieke Kerk zijn de vier lagere wijdingen sinds 1972 achterwege gelaten. De wijdingen van acoliet en lector werden vervangen door de ‘aanstelling’. In plaats van het subdiakonaat, waarmee de wijdeling de verplichting tot het celibaat en tot het brevier aanging, kwam een extra gelofte van zuiverheid bij het ontvangen van de wijding tot diaken.
Het Priesterbroederschap van Sint Petrus, dat in communio met Rome is verbonden, past deze wijdingen echter nog toe. Ook het Priesterbroederschap St. Pius X, dat veelal schismatisch geacht wordt ten opzichte van het Vaticaan, heeft de eeuwenoude traditie aangehouden en dient ook nu nog de wijdingen op dezelfde manier toe zoals de Kerk dit door heel haar geschiedenis heen heeft gedaan.