In de Joodse Pesachviering neemt het Halleel een prominente plaats in. Het woord hallêl is een hebreeuws woord, wat 'juichen', 'lofzingen' betekent (ter ere van een koning of van God). Het woord 'Halleluja' is hiervan afgeleid.
Het Halleel is tevens een groep Psalmen.
het 'Egyptische halleel' of 'algemene Halleel' omvat Psalm 113-118. het 'Groot-halleel' bestaat uit Psalm 120-135, respectievelijk 135. 136, respectievelijk alleen 136. Volgens de overlevering werd dit tijdens Mozes' leven al gezongen. Met name Psalm 113-118 werd in de tijd van de tempel en synagogen bij allerlei plechtigheden, feesten en erediensten gereciteerd. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de pelgrimsfeesten Pesach, het Pinksterfeest en het Loofhuttenfeest, alsook bij Nieuwe maan en het feest van de Tempelinwijding.
Bij het Pesach werd het Halleel gezongen tijdens het slachten van de offerlammeren in de tempel, in de namiddag van de voorbereidingsdag op de 14e Nisan, en ook later thuis bij de viering van de Paasnacht. De Psalmen 113 en 114 werden voor de maaltijd gezongen, en 115-118 erna. Dit wordt onder andere vermeld in het Bijbelboek het Evangelie van Marcus, hoofdstuk 14:26, waarin staat dat Jezus en het gezelschap waarmee hij het 'Laatste Avondmaal' had gegeten na het beëindigen van de lofzang opstaan.
Bij het Loofhuttenfeest werd het Halleel gereciteerd onder het zwaaien met groene takken en het roepen van 'Hosanna' door de gelovigen.