Geert Groote (oktober 1340 - 20 augustus 1384, beide te Deventer) was een Nederlands godgeleerde, schrijver en boeteprediker.
Geert Groote studeerde vanaf 1355 in Parijs, waar hij aan de Sorbonne geneeskunde, theologie en kerkelijk recht studeerde. Van 1368 tot 1374 was hij kanunnik van de Dom van Aken en van 1371 tot 1374 had hij een kanunniksplaats bij de Utrechtse Dom.
Aanvankelijk leidde hij een losbandig leven, maar onder invloed van Hendrik Eger van Kalkar en Jan van Ruysbroek, en na een ernstige ziekte in 1372 besloot hij een meer ascetisch leven te gaan leiden. Van 1374 tot 1377 woonde hij bij de kartuizers van Monnikhuizen bij Arnhem. Geert Groote werd in 1379 te Utrecht tot diaken gewijd en hield vanaf dat moment boetepreken in vele Noord-Nederlandse steden, bijvoorbeeld tegen als gehuwden levende priesters (synode van 1383) en kloosterlingen met bezit. Geert Groote verzamelde een groep volgelingen om zich heen, de Moderne devoten. Hieruit ontstonden de Broeders des Gemenen Levens en de Congregatie van Windesheim. De bisschop kon hun rigoreuze opvattingen echter niet waarderen en vaardigde voor diakens een preekverbod uit. Door persoonlijk contacten wist Geert Groote, die onder meer een boek schreef over het huwelijk, toch nog zielen te winnen.
Van Geert Groote zijn met name preken en gebeden overgeleverd. Een aantal van zijn gebeden kreeg zo'n weerklank dat ze in vrijwel alle getijdenboeken werden opgenomen. In zijn tractaat Contra turrim Traiectensem protesteert hij tegen de bouw van de Domtoren te Utrecht, die volgens hem enkel de ijdelheid streelde, en daarnaast in hoofdzaak bewondering van bezoekers zou trekken. Deze tekst werd pas in de jaren zestig van de twintigste eeuw ontdekt. Er zijn slechts enkele handschriften van bekend, zodat men mag aannemen dat hij tamelijk alleen stond met deze kritiek.