Het woord monnik komt van het Griekse ìïíá÷ïò (monachos), dat 'eenzaam' betekent en het woord ìïíïò ("monos" : alleen). Met de aanduiding monnik wordt in het christendom iemand bedoeld die omwille van het Koninkrijk Gods armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid belooft, de zogenaamde professie van de Evangelische raden. Monniken wonen meestal bij elkaar in een klooster of abdij, waar ze een speciale dagindeling hebben die helemaal gewijd is aan het gebed en de beschouwing. Er bestaan echter sinds de 13e eeuw ook de zogenaamde bedelorden waarvan de monniken een actief bestaan hebben in de samenleving.
Het leven van een monnik streeft naar de vereniging met God. Daartoe maakt hij zich zoveel mogelijk vrij van prikkels uit de wereld. Bij de kloostermonniken is de rust en regelmaat van het kloosterleven uitermate geschikt voor gebed en meditatie. Ook veel leken (niet-kloosterlingen) bezoeken kloosters voor de rust die daar ervaren kan worden.
De levensstijl van monniken bevat vaak diverse vormen van ascese; het zo veel mogelijk beperken van mentale en lichamelijke genietingen en de overstijging van de eigen lichamelijke begrenzingen, om zo te trachten de belemmeringen voor grotere geestelijke groei weg te nemen.
De aanduiding voor een vrouwelijke monnik is moniaal of non. Omdat het woord non meestal als pejoratief wordt beschouwd, is tegenwoordig het woord zuster meer gebruikelijk.
Het onderscheid tussen moniaal en zuster wordt wel gemaakt om vrouwelijke contemplatieve religieuzen te onderscheiden van zogeheten "actieve" religieuzen. Monialen verblijven strikt binnen een klooster en houden zich aan een vorm van afsluiting van de buitenwereld. Actieve religieuzen zijn meer "in de wereld" actief, buiten de muren van een klooster of convent.
Een in afzondering levende monnik wordt heremiet, kluizenaar of anachoreet genoemd.
Het christelijke kloosterwezen is ontstaan uit de heremieten die zich in de tweede en derde eeuw vestigden in de Egyptische woestijn. Zij waren nogal eens voor de vervolgingen gevlucht, en hadden ontdekt dat stilte, eenzaamheid en matigheid in voedsel, drank en slaap een vruchtbare grond voor het gebed konden vormen. De beroemdste van deze kluizenaars zijn de heilige Paulus van Thebe en de heilige Antonius van Egypte. In het tijdperk na de christenvervolging werd het voor deze lieden mogelijk om hun levenswijze gezamenlijk gestalte te geven onder leiding van een ervaren geestelijke, die abt werd genoemd. Dit gezamenlijke monnikendom heet coenobitisme.