Rond de tijd van de eerste kruistochten ontstonden drie nieuwe kloosterorden:
Kartuizers (1084): zij leven als kluizenaars maar kennen een gemeenschappelijke eredienst; strenge zwijgplicht; leven in afzonderlijke kluis voor gebed en meditatie; geen contact met de samenleving. Cisterciënzers (1098): iedere monnik moest ook werken op het land, de orde moest van eigen werk bestaan. De orde was ook toegankelijk voor lekenbroeders. Hun kloosters zijn gehuisvest in sobere gebouwen zonder torens in tegenstelling tot de imposante abdij van Cluny. Ze werden bekend als ontginners en inpolderaars. Zie als voorbeeld de Vlaamse abdij Onze-Lieve-Vrouw Ten Duinen. Premonstratenzers of norbertijnen (1120): zij verrichtten zielzorg onder de plattelandsbevolking, wat benedictijnen, kartuizers en cisterciënzers niet deden. Daarna ontstonden de bedelorden of mendicanten.
Franciscanen (1209): de bekendste bedelorde werd die van de franciscanen of minderbroeders. Dominicanen (1216): de dominicanen of predikbroeders kregen van de paus in 1232 de inquisitietaak opgedragen. Hun hoofdtaken waren prediking en zielzorg. Augustijner eremieten (1216): de augustijner eremieten ontstonden in 1216 uit een samensmelting van verschillende groepen. Karmelieten (1230): de karmelieten waren begonnen als een nederzetting van kluizenaars op de berg Karmel in het huidige Libanon, welke na 1220 ook vestigingen in Europa kreeg, en uitgroeide tot een bedelorde.