Een apostel is iemand die uit naam van een ander die hem heeft gestuurd een boodschap overbrengt. De term wordt vooral gebruikt in de Bijbelse betekenis, voor iemand die gezonden is door Jezus om het evangelie te verspreiden.
De oorspronkelijke apostelen waren elf van de twaalf discipelen van Jezus. Er was ook nog een twaalfde discipel, Judas Iskariot maar deze beroofde zichzelf van het leven voordat het apostelschap werd ingevoerd; hij werd opgevolgd door Mattias die wel tot de apostelen wordt gerekend. De betreffende elf apostelen/discipelen hadden tijdens de laatste jaren van Jezus' leven op aarde tot de binnenste kring van zijn aanhangers behoord. Na Jezus' verschijnen op aarde begonnen zij met het verspreiden van het evangelie in Israël, Syrië, Klein-Azië en Zuid-Europa (inclusief Rome). Ook Paulus noemde zichzelf een apostel, alhoewel hij Jezus niet tijdens diens leven op aarde heeft ontmoet maar later op een bovennatuurlijke wijze en daardoor een aanhanger van zijn leer werd.