De Amish (ook wel: Amana) is een geloofsgemeenschap in Noord-Amerika. Het zijn volgelingen van de Zwitser Jakob Amman (1644-1730) die in 1693 brak met het anabaptisme (de mennonieten). In de 18e eeuw heeft de Brit William Penn ze uitgenodigd om zijn kolonie Pennsylvania (Latijn voor "de bossen van Penn") in Noord-Amerika te komen om daar te werken als landarbeider. Momenteel (2004) zijn er zo'n 182.000 Amish in 22 staten, waarvan het merendeel in Pennsylvania, Ohio en Indiana. Over het algemeen wordt ervan uitgegaan dat alle Amish tegen technische vooruitgang zijn. Dit ligt echter genuanceerder. Halverwege de 19e eeuw hield de Amishgemeenschap meerdere conferenties over de vraag hoe men om moest gaan met de moderne ontwikkelingen. Het grootste deel van de Amish, het deel dat tegenwoordig bekend staat onder de naam Oude Amana-orde, besloot deze ontwikkelingen in zijn geheel af te wijzen. De rest van de gemeenschap vormde verschillende splintergroeperingen die liberaler omgingen met de technische vooruitgang.
De Oude Amana-orde rijden tegenwoordig nog steeds met paard-en-wagen, gebruiken geen elektriciteit en dragen ouderwetse kleding. Meer liberale stromingen hebben wel elektriciteit, en gebruiken auto's.
Veel Amish spreken met elkaar Pennsylvania Duits ('Pennsilfaani-Deitsch'), een Duits dialect. Erediensten worden gehouden in het Hoogduits of Pennsylvania Duits en met niet-Amish spreken ze Engels.
[bewerk]Vanaf een jaar of 16 mogen Amish een paar maanden tot een paar jaar leven als de gemiddelde Amerikaan. Dit wordt rumspringa (Nederlands: ronddollen) genoemd. Ze mogen altijd terugkeren naar de Amishgemeenschap, en wanneer ze dat doen zullen ze ook hun hele leven Amish moeten blijven. Op deze wijze kunnen de jongeren hun wilde haren kwijtraken en wordt de keuze voor leven als Amish bewust genomen. Zo'n 85 tot 90 procent kiest ervoor om zich na de rumspringa weer bij de Amish aan te sluiten. Bij het aansluiten worden de jongvolwassenen ook gedoopt. Kinderdoop kennen de Amish niet.