Kaïn (Hebreeuws voor 'speer') en Abel (soms Habel; van het Hebreeuws voor 'adem' of 'vergankelijkheid') zijn in de bijbel en de Koran de twee oudste zonen van Adam en Eva. In de koran worden ze niet met naam genoemd, maar binnen de islam worden de namen Habiel en Kabiel gebruikt.
Kaïn, de oudste van de twee, was landbouwer; Abel was schaapherder. Kaïn doodde zijn broer, omdat God Abels offer (lamsvlees) wel aannam, maar dat van Kaïn (een deel van zijn oogst) niet. Hoewel jaloezie voor de hand ligt, vermeldt het verhaal (in Genesis 4) geen reden voor de broedermoord, noch voor Gods voorkeur. God ondervraagt Kaïn waar zijn broer is, waarop deze antwoordt met "Ben ik mijn broeders hoeder?" Om zijn daad wordt Kaïn door God vervloekt en verdoemd tot zwerven (Gen. 4:11). Hij trekt naar "het land Nod, ten oosten van Eden," zoals het in Nederlandse vertalingen heet (Gen. 4:16); nod is echter Hebreeuws voor "zwervende", dus is het mogelijk dat met dit woord niet de naam van een land bedoeld wordt. In ieder geval sticht Kaïn een stad, die hij naar zijn zoon Henoch noemt. Verder brengt God op Kaïn een "teken" aan, zodat niemand hem kwaad zal doen. Zijn eventuele moord zal zevenvoudig worden gewroken, belooft God Kaïn.
De Koran verhaalt in Soera De Tafel over de twee zonen van Adam. Ook hier betreft het een offer dat van de een wel wordt aangenomen en van de ander niet. Volgens de ene broer komt dat, omdat de ander niet godvrezend is, waarop hij wordt doodgeslagen. Zo behoort hij tot de verliezers, maar zich beseffende dat hij het lijk niet zal kunnen verbergen, behoort hij tot hen die wroering hebben.
Na Abels dood besluiten Adam en Eva nog een kind te nemen, ter "vervanging" van Abel. Dit wordt Seth. Omdat de genealogieën van Kaïn en Seth sterk overeenkomen qua namen, is het idee geopperd dat Seth een late toevoeging aan het verhaal is, die moest voorkomen dat alle mensen volgens de bijbel van de broedermoordenaar Kaïn zouden afstammen.
In de Bijbel wordt Kaïn getekend als een waarschuwing tegen de zonde en de gevolgen ervan. In de kunst is de dood van de onschuldige Abel vaak verbeeld als voorafschaduwing van de dood van Christus. In het Nieuwe Testament wordt Abel genoemd in de brief aan de Hebreeën 11:4.
Soortgelijke verhalen komen ook bij andere volken voor, waardoor men vermoedt dat de oude rivaliteit tussen de rondtrekkende veehouders en de plaatsgebonden landbouwers de achtergrond vormt voor het verhaal.